Jongeren en risicogedrag

Jongeren vertonen vaak risicogedrag, meer dan kinderen of volwassenen (Twisk & Stelling, 2014). Risicogedrag is bijvoorbeeld alcohol drinken, spijbelen of appen op de fiets. Waarom hebben jongeren deze neiging tot risicogedrag? En wat zijn de gevolgen van dit risicogedrag voor het verkeer? In deze factsheet wordt gekeken naar doelgroep jongeren en hun risicogedrag in het verkeer. Eerst wordt er omschreven wie er onder de doelgroep jongeren verstaan wordt en welke kenmerken jongeren hebben. Vervolgens wordt het begrip risicogedrag nader beschreven. Daarna wordt gekeken op welke manier risicogedrag van een rol speelt in het verkeer en hoe het risicogedrag van jongeren in het verkeer verklaard kan worden. Tot slot wordt er antwoord gegeven op de vraag hoe het risicogedrag van jongeren in het verkeer beperkt kan worden. In de factsheet worden hiertoe vijf vragen rondom jongeren en risicogedrag in het verkeer beantwoord. De informatie uit de factsheet is gebaseerd op wetenschappelijke artikelen, rapporten van kennisinstituten en onderzoeken van TeamAlert.

Cijfers
  • In Nederland wonen ongeveer 2,7 miljoen jongeren
  • Jongeren vormen ongeveer 15% van de totale bevolking in Nederland
Jongeren (12 t/m 24 jaar oud) ….
  • Groeien lichamelijk op
  • Maken zich los van ouders en focussen zich meer op hun leeftijdsgenoten
  • Ontwikkelen hun eigen identiteit
  • Leren gemakkelijker dan volwassenen nieuwe dingen
  • Zijn passievol en creatief
  • Zijn emotioneel betrokken bij hun sociale omgeving
  • Experimenteren met nieuwe mogelijkheden en vrijheden
Risicogedrag is gedrag dat mogelijk negatieve gevolgen heeft, zoals ongevallen of gezondheidsschade
  • Jongeren vertonen vaker risicogedrag dan kinderen en volwassenen
  • Voorbeelden van risicogedrag zijn: alcohol drinken, spijbelen of appen op de fiets
Welk risicogedrag vertonen jongeren in het verkeer?

In vergelijking met volwassenen, is te zien dat jongeren vaker:

  • Hun telefoon gebruiken tijdens het fietsen en als voetganger
  • Autorijden onder invloed van drugs
  • Autorijden onder vermoeidheid
  • Te hard rijden
  • Muziek luisteren op de fiets
  • Appen tijdens het autorijden
  • Afgeleid zijn door passagiers in de auto
  • Fietsen zonder werkende fietsverlichting
  • Door rood fietsen
  • De hersenen van jongeren zijn nog volop in ontwikkeling
  • De blootstelling aan (gevaarlijke) verkeersomstandigheden neemt voor jongeren toe
  • Jongeren zijn gevoelig voor invloeden van leeftijdsgenoten
  • Jongeren zijn nog onervaren in het verkeer
De droom van TeamAlert: jongeren veilig op weg:
  • Jongeren zijn zich bewust van de gevaren van risicogedrag in het verkeer
  • Jongeren oefenen en experimenteren in een veilige setting, zoals gevaarherkenning training in MISSIE 3014
  • Het is de sociale norm onder jongeren om je veilig te gedragen in het verkeer, zoals in Go-MONO
  • Vriendengroepen steunen elkaar in het vertonen van veilig gedrag in het verkeer, zoals in Bobtival
  • Jongeren zijn weerbaar tegen groepsdruk, zoals in Muurvast
  • Jongeren vertonen zelfcontrole om risicogedrag te beperken, zoals in The Day After
  • Ouders worden betrokken in voorlichting, zoals in V8N1
  • Ouders geven het goede voorbeeld, maken afspraken, monitoren en bieden hun kinderen hulp en steun
  • De inhoud en vorm van informatie in voorlichting sluit aan bij de belevingswereld van jongeren, door middel van cocreatie en onderzoek
  • Organisaties op het gebied van volksgezondheid, verkeer en justitie werken samen om risicogedrag te verminderen

YOUR FAQ'S

  • Wie worden er verstaan onder jongeren?

    Jongeren

    Met jongeren worden mensen van 12 tot en met 24 jaar oud bedoeld. Deze levensfase staat ook wel bekend als de adolescentie of pubertijd. Het is de fase tussen kind zijn en volwassenen worden. In Nederland zijn er 2.715.165 jongeren, ruwweg 2,7 miljoen (CBS, 2020a). Jongeren vormen daarmee ongeveer 15% van de totale bevolking in Nederland. Van de jongeren staat 51% geregistreerd als man en 49% als vrouw (hierbij wordt uitgegaan van het geslacht geregistreerd bij de geboorte; niet van het gender waarmee jongeren zich identificeren).

    Kenmerkend voor jongeren

    Er gebeurt in de periode naar volwassenheid veel in de ontwikkeling van jongeren. In de periode van 12 tot 24 jaar is te zien dat de jongere lichamelijk opgroeit. De jongeren worden steeds langer en krachtiger, ook krijgen jongens een lagere stem omdat zij de baard in de keel krijgen. Dit komt o.a. door hormonen die ervoor zorgen dat jongeren er volwassener uit gaan zien. Tegelijkertijd kunnen deze hormonen zorgen voor stemmingswisselingen. Ook mentaal en sociaal verandert er veel voor de jongeren. Jongeren maken zich los van hun ouders en gaan meer en nieuwe vriendschappen aan met hun leeftijdgenoten. De mening van leeftijdsgenoten worden ook steeds belangrijker voor de jongeren. Tevens ontwikkelen jongeren hun eigen identiteit in de adolescentie. Ze worden steeds zelfbewuster en ontwikkelen zelfreflectie. Een ander belangrijk kenmerk voor jongeren is dat zij beginnen te experimenteren op allerlei gebieden, bijvoorbeeld met het gebruiken van middelen of stunten op hun scooter. Het experimenteren helpt hen te ontdekken hoe de wereld om hen heen werkt en wat zij willen en leuk vinden in het leven. Jongeren zijn nieuwsgierig en vertonen vaker risicogedrag dan kinderen of volwassenen (Crone, 2018). Lees hierover meer onder de vraag: ‘wat is risicogedrag?’.

    Een ander belangrijk verschil tussen jongeren en volwassenen is te zien in de manier waarop zij leren. Jongeren leren gemakkelijker nieuwe dingen, zoals bijvoorbeeld een tweede taal spreken of een muziekinstrument bespelen (Crone, 2018). Daarbij zijn ze vaker meer toegewijd als ze ‘ervoor willen gaan’ en kunnen ze hierdoor gemakkelijker topniveaus bereiken (Crone & Dahl, 2012). Ook zitten jongeren nog niet vast aan vaste denkpatronen, zoals volwassenen dat vaak wel hebben. De adolescentie wordt daardoor ook vaak de meest creatieve tijd van het leven genoemd. Deze positieve kenmerken worden vaak onderbelicht; jongeren worden vaak geschetst als opstandig en roekeloos, terwijl jongeren ook kunnen worden gezien passievol, moedig en creatief (Crone, 2018). Risico nemen is nodig voor het ontwikkelen van een eigen identiteit en het aangaan van uitdagingen die gepaard gaan met volwassen worden. De adolescentie is daarnaast een tijd van unieke leermogelijkheden en emotionele betrokkenheid bij hun sociale omgeving (Crone, 2018). Deze betrokkenheid uit zich bijvoorbeeld in de Black Lives Matter-protesten of de klimaatmars, waarin jongeren een grote rol spelen. Dit laat zien dat jongeren niet alleen aan zichzelf denken, maar ook behoefte hebben om de wereld te verbeteren voor anderen.

    Kenmerkend voor de huidige generatie: Generatie Z

    Jongeren van 12 t/m 24 jaar oud zijn geboren tussen 1996 en 2008. Over het algemeen worden zij gerekend tot generatie Z (Rubin Postaer and Associates, 2018; Mohr & Mohr, 2017). Tot welke generatie iemand behoort. is natuurlijk niet volledig bepalend voor het denken en doen van deze persoon. De specifieke periode waarin iemand opgroeit, kan echter wel invloed hebben. De gedachte achter de generatietheorieën is dat cruciale maatschappelijke gebeurtenissen, zoals een economische crisis, invloed hebben op de waarden en normen van het individu (Deprez, Boermans, Euwema & Stouten, 2015). Daarom is het nuttig om inzicht te hebben in wat er speelt in de leefomgeving van de huidige generatie jongeren, met daarbij in gedachten dat er dus individuele verschillen te zien zijn tussen jongeren.

    Digitaal opgegroeid
    Kenmerkend aan generatie Z is dat zij nooit in wereld zonder internet hebben geleefd, zij zijn opgegroeid als digital natives (Mohr & Mohr, 2017). Deze digitalisering heeft er voor gezorgd dat de jongeren van nu altijd verbonden zijn met elkaar, met hun ouders en met de wereld om hen heen. In totaal gebruiken jongeren (en jongvolwassenen; personen tussen de 13 en 34 jaar oud) gemiddeld 7 uur en 54 minuten per dag media (Waterloo, Wennekers & Wiegman, 2019). Dit was overigens niet meer tijd dan de andere leeftijdscategorieën in het onderzoek aan media besteden. TeamAlert deed onderzoek naar de ervaring van jongeren met sociale media. Uit het onderzoek blijkt dat sociale status, sociale druk en “Fear Of Missing Out” (FOMO) een rol spelen in het mediagebruik van jongeren. Jongeren houden rekening met hoe zij overkomen en beoordeeld worden door anderen op sociale media. Ook controleren ze van elkaar of er al op een bericht gereageerd is en waar iemand zich bevindt. Tot slot lijkt er een sterke behoefte te zijn om van alles op de hoogte te zijn en niks te missen van wat vrienden en leeftijdsgenoten doen (TeamAlert, 2020). Er lijken allerlei ongeschreven regels te zijn waar jongeren op sociale media aan moeten voldoen. Dit werd ook aangetoond in de Monitor Jeugd en Media van Kennisnet (2015) waarin één op de vijf jongeren aangeeft het gevoel te hebben dat ze vanwege hun sociale netwerk genoodzaakt zijn om aan allerlei (ongeschreven) regels van sociale media te voldoen.

    Hechten waarde aan inclusiviteit en duurzaamheid
    De omgeving van jongeren wordt steeds diverser op het gebied van culturele achtergrond, religie, gender en seksualiteit. Niet alleen in hun directe leefomgeving door bijvoorbeeld globalisering, maar vooral ook in films en series en op sociale media. Dit heeft invloed op hoe jongeren denken over thema’s zoals inclusiviteit, gelijkheid en racisme (Rubin Postaer and Associates, 2018; Halafoff, Singleton, Bouma & Rasmussen, 2020; Cohen, Fowler, Medenica & Rogowski, 2017). Er wordt ook wel gesproken van een woke generatie, de term woke wordt gekoppeld aan gelijkheid in de samenleving (Cohen et al., 2017). Een ander belangrijk thema voor de huidige generatie jongeren is duurzaamheid. De groeiende wetenschappelijke consensus over de menselijke invloed op klimaatverandering en de aandacht in de media hiervoor zorgt ervoor dat jongeren waarde hechten aan duurzaamheid (O’brien, Selboe & Hayward, 2018).

    Kritisch
    Verder kenmerkend voor de huidige generatie jongeren is dat zij in hoge mate kritisch zijn. De eindeloze stroom aan informatie, advertenties en andere reclame-uitingen, maar ook het fenomeen nepnieuws zorgt er voor dat jongeren een hoge ‘bullshit-radar’ hebben (Rubin Postaer and Associates, 2018). Desalniettemin blijkt dat jongeren doorgaans meer vertrouwen hebben in mensen en instanties dan ouderen (CBS, 2018a). Jongeren hebben het minst vertrouwen in de pers (28%) en kerken (32%) en het meest vertrouwen in rechters (83%), politie (79%) en het leger (77%) (CBS, 2020b). Transparantie en eerlijkheid zijn belangrijk om het vertrouwen van groep jongeren te winnen.

  • Wat is risicogedrag?

    Definitie van risicogedrag

    Risicogedrag wordt breed omschreven als gedrag dat mogelijk negatieve gevolgen heeft (van Leijenhorst & Crone, 2009). Zoals eerder omschreven is het kenmerkend voor jongeren dat zij gaan experimenteren met nieuwe mogelijkheden en vrijheden. Het nemen van risico’s hoort dus bij het opgroeien van de jongere en wordt gezien als een normale verandering die belangrijk is voor het ontdekken van de omgeving. Als dit resulteert in gedrag waarbij zij extra risico’s lopen, op bijvoorbeeld ongevallen of gezondheidsschade, dan wordt dit risicogedrag genoemd (Twisk & Stelling, 2014). Voorbeelden van risicogedrag onder jongeren zijn: alcoholgebruik, roken, drugsgebruik, ongezond eetgedrag, riskant seksueel gedrag, gokken, spijbelen en riskant verkeersgedrag. Vaak zijn dit gedragingen die op korte termijn een beloning geven, zoals plezier of ontspanning, maar op lange termijn nadelige gevolgen hebben (Peters, 2019).

  • Welk risicogedrag vertonen jongeren met betrekking tot het verkeer?

    Risicogedrag in het verkeer

    Jongeren vertonen risicogedrag op allerlei gebieden in het verkeer. We weten van jongeren dat zij vaker risicogedrag vertonen dan volwassenen. Zo zien we dat jongeren vaker dan volwassenen:

    • Autorijden onder invloed van drugs (Houwing, et al., 2011) (zie: factsheet “jongeren en drugs in het verkeer”)
    • Autorijden onder vermoeidheid (ERSO, 2018)
    • Te hard rijden (CBS, 2018b) (zie: factsheet “jongeren en snelheid”)
    • Muziek luisteren op de fiets (Rijkswaterstaat, 2019) (zie: factsheet “jongeren en afleiding”)
    • Hun telefoon gebruiken op tijdens het fietsen en als voetganger (Van der Kint & Mons, 2019) (zie: factsheet “jongeren en afleiding”)
    • Appen tijdens het autorijden (Guo et al., 2017) (zie: factsheet “jongeren en afleiding”)
    • Afgeleid zijn door passagiers in de auto (Guo et al., 2017) (zie: factsheet “jongeren en afleiding”)
    • Fietsen zonder werkende fietsverlichting (Rijkswaterstaat, 2018) (zie: factsheet “jongeren als kwetsbare verkeersdeelnemers”)
    • Door rood fietsen (Van der Meel, 2013) (zie: factsheet “jongeren als kwetsbare verkeersdeelnemers”)

      Ook zien we in sommige gevallen dat jongeren niet vaker dan volwassenen bepaald risicogedrag vertonen, hoewel zij toch een grotere kans op een ongeval dan volwassenen vertonen, wanneer zij het risicogedrag vertonen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer zij autorijden onder invloed van alcohol (Mathijssen, & Houwing, 2005) (zie: factsheet jongeren en alcohol in het verkeer).

  • Waarom vertonen jongeren risicogedrag in het verkeer?

    Jongeren vertonen vaker dan volwassenen risicogedrag op allerlei gebieden. Zo is te zien dat jongeren vaker risicogedrag vertonen in het verkeer, maar ook op het gebied van gezondheid en criminaliteit (Twisk & Stelling, 2014). Het blijkt dat het risicogedrag op al deze gebieden van jongeren verklaard kan worden door een aantal gemeenschappelijke, onderliggende oorzaken (Twisk & Stelling, 2014; Dusseldorp et al., 2014). Deze oorzaken worden hieronder besproken. Daarnaast worden ook individuele verschillen ten opzichte van risicogedrag besproken.

    De hersenontwikkeling van jongeren

    Groei- en snoeiproces
    Hersenonderzoek laat zien dat het brein zich tot ongeveer het 25e levensjaar blijft ontwikkelen. Tijdens de hersenontwikkeling vindt een soort groei- en snoeiproces in de hersenen plaats: in het brein trekken verbindingen die niet vaak gebruikt worden zich terug waardoor sommige hersencellen verdwijnen, andere hersencellen krijgen juist meer vertakkingen. Daardoor verbetert de verbinding tussen hersencellen en -gebieden. Het groei- en snoeiproces zorgt er voor dat de hersenen steeds efficiënter informatie verwerken, minder energie vragen en dat bepaalde hersengebieden zich specialiseren. Dit groei-en-snoeiproces van verbindingen is een normaal ontwikkelingsproces en gebeurt in ieder hersengebied op een ander moment (Vlakveld, 2014; Crone, 2018).

    Remmen van gedrag versus beloningen
    Niet alle hersengebieden ontwikkelen zich dus met dezelfde snelheid. Hersenonderzoek laat zien dat de hersengebieden, zoals de prefrontale cortex, die verantwoordelijk zijn voor processen als plannen, zelfcontrole en nadenken over lange termijn gevolgen, tijdens de vroege adolescentie nog volop in ontwikkeling zijn (Steinberg, et al., 2008; Vlakveld, 2014). Dit zorgt ervoor dat jongeren meer moeite hebben met het overzien en afwegen van directe beloningen van gedrag en van de mogelijke gevolgen van gedrag op langere termijn. Verder blijkt dat het hersengebied (het ventraal striatum) dat verantwoordelijk is voor beloningsverwerking extra gestimuleerd wordt door de puberteitshormonen (Steinberg, et al., 2008; Vlakveld, 2014). Beloningen voor bepaald gedrag zorgen voor verhoogde respons, een soort kick, in de hersenen van jongeren (Steinberg, et al., 2008; Crone, 2018). In verschillende onderzoeken van TeamAlert beschrijven jongeren deze kick als een reden om bijvoorbeeld onder invloed van alcohol te rijden of te hard te rijden (TeamAlert, 2019; TeamAlert, 2018a). De gevoeligheid voor de directe beloning van risicogedrag en het controlesysteem dat nog in ontwikkeling is in de hersenen van jongeren, maakt het voor hen moeilijk om verleiding tot risicogedrag te weerstaan (Steinberg, et al., 2008; Vlakveld, 2014; Crone, 2018).

    Het is echter goed om te weten dat jongeren wel degelijk in staat zijn om hun prefrontale cortex goed te gebruiken en te kunnen plannen, nadenken over langetermijngevolgen en verleidingen te kunnen weerstaan (Vlakveld, 2014). Het blijkt afhankelijk te zijn van de omgeving en de beloning die ertegenover staat of dit hersengebied wel of niet actief wordt (Crone & Dahl, 2012). De ene keer gebruiken jongeren hun prefrontale cortex dus minder, bijvoorbeeld wanneer ze zich niet aan hun huiswerkplanning houden. Maar een andere keer, wanneer jongeren een feestje moeten plannen, dan lukt het plannen wel. Bij het plannen van een feestje staat er een sociale kortetermijnbeloning tegenover: een leuke avond en indruk maken op je vrienden. Hogere cijfers halen, de beloning voor huiswerk maken, vinden jongeren vaak minder belangrijk op dat moment. Op de lange termijn kan huiswerk maken wel voordelen opleveren, zoals een betere baan en aanzien. Maar voor de belevingswereld van jongeren is die beloning veel te ver weg. Het is dus belangrijk om kortetermijnbeloningen voor jongeren te benadrukken. Bovendien blijkt dat jongeren sociale informatie anders verwerken dan kinderen en volwassenen: het brein van jongeren reageert sterker op sociale acceptatie of -uitsluiting. Jongeren reageren dus het sterkst op sociale beloningen, zoals goedkeuring van leeftijdgenoten, erbij horen en mee mogen doen  (Crone, 2018).

    De sociale omgeving van jongeren

    Risicogedrag van jongeren is sterk sociaal gedreven. De interactie van jongeren met hun sociale omgeving is in grote mate bepalend voor hun gedrag. In de adolescentie wordt de invloed van leeftijdsgenoten op het gedrag van jongeren steeds belangrijker (Rubin. Fredstrom & Bowker, 2008). Waar eerder het voorbeeldgedrag van ouders nog het meest van invloed is op gedrag van jongeren, lijken in de adolescentie vooral de ervaringen met vrienden het gedrag te beïnvloeden.

    In de literatuur komen verschillende concepten naar voren die de sociale invloed op gedrag beschrijven. De directe invloed van de sociale omgeving kan worden gezien als sociale druk of sociale steun. Sociale druk staat voor een negatieve invloed van anderen op gedrag, bijvoorbeeld wanneer iemand door zijn vrienden wordt aangespoord om alcohol te drinken. Dergelijke invloed risicogedrag van jongeren wordt in de praktijk vaak ‘groepsdruk’ genoemd. De term ‘sociale steun’ wordt gebruikt wanneer er een positieve invloed is op het gedrag, bijvoorbeeld wanneer ouders aanbieden om hun kinderen op te halen met de auto wanneer zij onder invloed zijn (Brug, Assema, & Lechner, 2017).

    De sociale omgeving heeft ook een indirecte invloed op gedrag. Zo kan iemand beïnvloed worden door zogeheten injuctieve normen en descriptieve normen. Injunctieve normen verwijzen naar wat een iemand denkt dat anderen goedkeuren of afkeuren in een bepaalde situatie. Regels en wetten vallen ook onder de injunctieve norm. Descriptieve normen verwijzen naar iemand denkt dat anderen doen in een bepaalde situatie en worden vaak gebaseerd op wat iemand ziet dat anderen doen (Cialdini, Reno, & Kallgren, 1990). Verschillende onderzoeken tonen aan dat descriptieve normen (‘wat denk ik dat anderen doen in deze situatie’) een sterkere invloed heeft op gedrag dan injunctieve normen (‘wat verwachten anderen van mij dat ik moet doen in deze situatie’) (Kallgren, Reno & Cialdini, 2000).

    De rol van de ouders en van leeftijdsgenoten in het vertonen van risicogedrag door jongeren wordt hieronder toegelicht.

    De rol van ouders
    Zoals eerder beschreven wordt de invloed van leeftijdsgenoten op het gedrag van jongeren steeds belangrijker (Rubin et al., 2008). De focus van jongeren op hun leeftijdsgenoten betekent echter niet dat de invloed van ouders volledig vervalt. Vaak hebben ouders de indruk dat ‘er niet meer naar hen geluisterd wordt’, maar onderzoek laat zien dat ouders in de adolescentie meer invloed hebben dan ze zelf denken (Bokhorst, Sumter & Westenberg, 2010). Ouders kunnen bijvoorbeeld sociale steun bieden, duidelijk uitspreken wat zij van hun kinderen verwachten en het goede gedrag laten zien aan hun kinderen. In het laatste geval wordt gesproken van ’voorbeeldgedrag’. Verschillende studies laten zien dat jongeren die vaker risicogedrag bij hun ouders hebben gezien, zelf ook vaker risicogedrag vertonen, zoals roken (Leonaridi-Bee, Jere & Britton, 2011), alcohol drinken (Van der Vorst, 2007), roekeloos rijden (Taubman - Ben-Ari, Musicant, Lotan, & Farah, 2014) en rijden onder invloed (Hjalmarsson & Lindquist, 2010). Het is aannemelijk dat zij dit gedrag kopiëren van hun ouders.

    Leeftijdsgenoten
    Vrienden en leeftijdsgenoten (peers) hebben een belangrijke invloed op risicogedrag van jongeren. Doordat het voor jongeren steeds belangrijker wordt om bij een groep te horen, zijn jongeren in gezelschap van leeftijdsgenoten eerder geneigd om zich risicovol te gedragen dan wanneer ze alleen zijn (Crone, 2018). Het is aannemelijk dat vrienden een sterkere invloed hebben op gedrag dan leeftijdsgenoten in het algemeen, omdat jongeren zich sterker identificeren met hun vrienden (Renes et al., 2011). Verschillende studies tonen aan dat jongeren meer risico nemen wanneer ze bekeken worden door een vriend tijdens het maken van keuzes (O’Brien et al., 2014; Weigard, Chein, Albert, Smith & Steinberg, 2014). Ook hoe jongeren zich bijvoorbeeld gedragen in het verkeer, wordt dan ook mede bepaald door de aanwezigheid van vrienden en of die vrienden risicogedrag stimuleren of juist niet (Vlakveld, 2014).

    Niet alleen de directe aanwezigheid (sociale steun/sociale druk) van vrienden kan risicogedrag van jongeren beïnvloeden. Ook descriptieve normen (wat denk ik dat mijn vrienden doen in deze situatie) blijken samen te hangen met risicogedrag van jongeren (Dusseldorp et al., 2014; Wiefferink et al., 2006). Zo vinden Meesmann, Martensen & Dupont (2013) dat jonge autobestuurders vaker rijden onder invloed van alcohol, wanneer zij denken dat hun vrienden rijden onder invloed van alcohol. Groepsnormen en gedrag van vriendengroepen spelen dus een belangrijke rol in het risicogedrag van jongeren.

    Blootstelling aan gevaar en onervarenheid in het verkeer

    Een toename van risicogedrag kan dus verklaard worden door de gevoeligheid voor de directe beloning van risicogedrag en het controlesysteem dat nog in ontwikkeling is in de hersenen van jongeren. Daarbij spelen sociale invloeden een belangrijke rol de keuze voor risicogedrag van jongeren. Tegelijkertijd neemt de blootstelling aan (gevaarlijke) verkeersomstandigheden voor jongeren toe. Tussen hun 12e  en 24e levensjaar leggen jongeren steeds grotere afstanden in het verkeer af en krijgen ze te maken met meer verschillende vervoersmiddelen. Dit betekent ten eerste dat jongeren zich vaker in het verkeer begeven en dus ook vaker de kans krijgen om risicovol gedrag te vertonen in het verkeer (Twisk & Stelling, 2014). Zo fietsen jongeren van 12 t/m 18 jaar twee keer zoveel als volwassen Nederlanders (CBS, 2015). Ten tweede hebben jongeren te maken met onervarenheid in het verkeer, ze fietsen bijvoorbeeld voor het eerst zelfstandig naar de middelbare school. Ook rijden ze voor het eerst op voor hen nieuwe vervoersmiddelen zoals, een scooter, elektrische fiets of in een auto. Jongeren zijn nog onervaren in het besturen van deze vervoersmiddelen en hebben daardoor het voertuig minder onder controle. Daarnaast blijkt dat jongeren nog niet ervaren zijn in het overzien van en reageren op complexe verkeerssituaties. Naast controle over het vervoersmiddel (voertuigbediening) zijn dus vooral de hogere ordevaardigheden, zoals risicoperceptie daarin essentieel. Deze hogere ordevaardigheden ontwikkelen zich veel langzamer dan die voor voertuigbediening (Vlakveld, 2011). Wat maakt dat jongeren zich vaker risicovol gedragen in complexere verkeerssituaties.

    Individuele verschillen

    Jongens versus meisjes
    Jongeren verschillen onderling in hun mate van risicogedrag. Er zijn bijvoorbeeld verschillen te zien tussen jongens en meisjes. Jongens en jonge mannen zijn vaak oververtegenwoordigd in verkeersongevallen (CBS, 2020c). De achterliggende oorzaken voor dit verschil zijn nog niet volledig duidelijk. Er zijn verschillen te zien in het brein in de reactie van jongens versus meisjes op dreiging van gevaar. Jongens en jonge mannen reageren vaak impulsief en meisjes denken eerst even na en kiezen dan vaker voor een reactie (Vlakveld, 2014). Verschillen in de productie van hormonen bieden ook een mogelijke verklaring voor de verschillen tussen jongens en meisjes. Tot slot is te zien dat wanneer jongeren gevraagd worden naar hun houding ten opzichte van verkeersveiligheid jongens vaker dan meisjes het minder belangrijk vinden zich aan de regels te houden, het niet zo erg te vinden onder invloed aan het verkeer deel te nemen en zich minder verantwoordelijk te voelen voor de veiligheid van anderen (Twisk & Stelling, 2014).

    Persoonlijkheid
    Tegelijkertijd is bewijs voor persoonlijkheidsverschillen ten aanzien van risicogedrag in het verkeer. Onderzoek laat zien dat persoonlijkheidskenmerken zoals spanningsbehoefte (sensation seeking) en impulsiviteit verklarende factoren zijn bij risicogedrag (Steinberg et al., 2018). Sensation seeking kan omschreven worden als een persoonlijkheidskenmerk waarbij iemand de drang heeft om voortdurend nieuwe ervaringen en sensaties op te doen. Impulsiviteit wordt beschreven als de neiging om snel te reageren op kortetermijnbeloningen, zonder over de consequenties na te denken (Zuckerman, 1993). Sensation seeking en impulsiviteit nemen beide toe in de adolescentie als gevolg van de hersenontwikkeling van jongeren (Steinberg et al., 2008; Steinberg et al., 2018). Dit wordt dan ook vaak als verklaring van risicogedrag van jongeren in zijn algemeenheid aangehaald. Tegelijkertijd is te zien dat deze twee eigenschappen ook de basis vormen voor individuele verschillen tussen jongeren van dezelfde leeftijd in het vertonen van risicogedrag. Jongeren die hoger scoren op de eigenschappen sensation seeking en impulsiviteit blijken vaker middelen te gebruiken (alcohol, tabak en drugs) (Lydon-Staley & Geier, 2018; Leeman, Hoff, Krishnan-Sarin, Patock-Peckham, & Potenza, 2014; Charles et al., 2016; Van der Veen, Hershberger, & Cyders, 2016; Woicik, Stewart, Pihl & Conrod, 2009). Internationaal onderzoek laat zien dat deze eigenschappen ook een rol spelen bij het rijden onder invloed van drugs (Richer & Bergeron, 2009; Benotsch et al., 2015).

    TeamAlert (2018b) deed onderzoek naar de verschillen tussen jongeren in hun houding ten opzichte van – en hun mate van risicogedrag. Aan de jongeren zijn vragen gesteld over de mate waarin ze risicovolle activiteiten doen of hebben gedaan en welke activiteiten zij als gevaarlijk zien. Met het onderzoek heeft TeamAlert de totale groep jongeren kunnen segmenteren in subgroepen, groepen waarbinnen jongeren min of meer dezelfde houding hebben ten opzichte van risicogedrag. Dit houdt in dat leden van een subgroep zich min of meer op dezelfde manier gedragen ten aanzien van risicogedrag. De resultaten van het doelgroepsegmentatie-onderzoek van MWM2 en TeamAlert tonen aan dat er zes typen jongeren te onderscheiden zijn op basis van attituden, motieven en gedrag ten opzichte van risicogedrag. Op basis van de antwoorden van de jongeren op twintig stellingen krijgen de jongeren een type toegewezen. De quiz is in te vullen via: www.teamalert.nl/quiz. De stellingen weerspiegelen zeven dimensies die bepalend zijn voor de houding van jongeren tegenover risicogedrag. Zo heeft elk type een unieke combinatie van scores op de zeven dimensies: durven, consciëntieus, piekeren, toekomstgericht/doelgericht, statusgericht, extraversie en volgzaamheid. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat jongeren die hoog scoren op de dimensies durven, statusgericht, extraversie en lager scoren op de dimensie consciëntieus sterker geneigd zijn tot het vertonen van risicogedrag. Dit zijn de typen ‘eigenzinnige avonturier’ en ‘extraverte statuszoeker’.

    Let op!
    In deze factsheet worden verklaringen gegeven voor risicogedrag in het verkeer in zijn algemeenheid. Tegelijkertijd is het belangrijk om onderscheid te maken tussen de verschillende risicogedragingen die jongeren vertonen in het verkeer en de verschillende vervoersmiddelen die zij gebruiken in het verkeer. Door in te zoomen op het risicogedrag van jongeren en het vervoersmiddel waarop de jongere het risicogedrag vertoont kan gekeken worden naar specifieke motieven voor het gedrag en kunnen passende oplossingen en handelingsalternatieven aangeboden worden om het risicogedrag te beperken. In de verschillende factsheets van TeamAlert wordt dieper ingegaan op de motieven van jongeren voor alcoholgebruik in het verkeer, drugsgebruik in het verkeer, te hard rijden, afleiding in het verkeer en diverse overtredingen op de fiets.

  • Hoe kan risicogedrag van jongeren in het verkeer beperkt worden?

    Groepsnormen

    Jongeren zijn uitermate gevoelig voor de normen die heersen binnen vriendengroepen en onder leeftijdsgenoten. Dit kan resulteren in groepsdruk, waarbij sprake is van een negatieve invloed op het gedrag van jongeren (zie oplossing: weerbaar maken tegen groepsdruk). Maar groepsnormen kunnen ook ingezet worden om het gewenste gedrag te communiceren en de jongeren te laten zien dat anderen in hun omgeving het gewenste gedrag aanmoedigen en zelf ook uitvoeren. Deze sociale normen kunnen op verschillende manieren gecommuniceerd worden.

    Normen communiceren
    Een manier is door te communiceren dat anderen jongeren het gewenste gedrag uitvoeren of goedkeuren, bijvoorbeeld: “75% van de jongeren vindt het goed dat het vasthouden van je telefoon op de fiets verboden is”.  Het is hierbij van belang dat de meerderheid het gewenste gedrag uitvoert of goedkeurt. Vaak gaat communicatie in op hoe vaak het ongewenste gedrag voorkomt, bijvoorbeeld “68% van de 18 tot 24-jarigen gebruikt hun telefoon tijdens het fietsen”. Door het communiceren van deze boodschap bereik je echter het tegengestelde effect, omdat je de ontvanger het idee geeft dat het dus normaal is om de telefoon te gebruiken tijdens het fietsen. In situaties waarbij een meerderheid van de mensen het ongewenste gedrag vertoont, is het aanbevolen om niet te benadrukken ‘wat anderen doen’ (descriptieve norm) maar te benadrukken ‘wat mensen zouden moeten doen’ (injunctieve norm) (Renes et al., 2011). Om normen extra kracht bij te zetten is het aan te raden om deze zoveel mogelijk op de doelgroep te betrekken. Mensen zijn geneigd het gedrag te volgen van mensen die gelijk zijn aan hen. In het communiceren naar jongeren kan dus gebruik gemaakt worden van de term jongeren of nog specifiekere groepen, zoals jongeren uit een bepaalde stad/dorp. In het project Go MONO van TeamAlert wordt de sociale norm specifiek gemaakt door de naam van de locatie te communiceren, bijvoorbeeld “Stedelijk Lyceum Almere rijdt MONO. Jij toch ook?”.

    Normen kunnen ook gecommuniceerd worden door de laten zien wat het gewenste gedrag is, zonder letterlijk te zeggen wat de norm is (Renes et al., 2011). In beelden is het daarom goed om het juiste gedrag te laten zien, waar mogelijk dat de meerderheid van de mensen het juiste gedrag uitvoert. Descriptieve normen die gecommuniceerd worden via beelden kunnen uiteraard ondersteund worden door tekst (Renes et al., 2011) , bijvoorbeeld “Amsterdam fietst MONO”.

    De groepsnorm beïnvloeden
    Door met jongeren in gesprek te gaan is het mogelijk de groepsnorm te beïnvloeden, bijvoorbeeld door de jongeren te vragen naar argumenten voor het gewenste gedrag of naar de gevaren van risicogedrag. Door jongeren deze argumenten hardop in groepsverband te laten uitspreken wordt de groepsnorm richting het gewenste gedrag positiever of richting het risicogedrag negatiever. De jongeren kunnen elkaar tips geven hoe zij het gewenste gedrag vol gaan houden en met elkaar afspraken maken. Hierdoor krijgen de jongeren steun van elkaar in het bereiken van het gewenste gedrag. TeamAlert gaat in haar projecten in verschillende groepsgroottes met jongeren in gesprek, zoals in het Kruispunt-debat over veilig fietsgedrag met meer dan honderd leerlingen of in kleinere vriendengroepen tijdens het BOBtival-project.

    Jongeren weerbaar maken tegen groepsdruk

    Zoals besproken kunnen jongeren te maken krijgen met groepsdruk, een negatieve invloed van hun leeftijdsgenoten of vrienden op hun gedrag. Het vraagt moed en sociale vaardigheden van de jongere om groepsdruk te weerstaan. Vooral voor jonge adolescenten is het nog moeilijk weerbaar te zijn tegen groepsdruk (Onrust, 2016). Al zien we ook dat groepsdruk een duidelijke rol speelt bij jonge bestuurders, die al ouder zijn dan 18 jaar (Vlakveld, 2014). Het is daarom van belang dat jongeren leren hoe zij voor zichzelf kunnen opkomen, dus leren opkomen voor hun eigen wensen, grenzen en behoeften. Dit wordt ook wel ‘weerbaarheid’ genoemd. Ook weerbaarheid is te trainen bij jongeren (Van Ditzhuijzen, Mol, & Plaisier, 2011). Verschillende strategieën zoals bewegingsoefeningen, meditatie, persoonlijke evaluatie en feedback en groepsopdrachten kunnen ingezet worden om weerbaarheid onder jongeren te vergoten (Ditzhuijzen et al., 2011).  In het project Muurvast van TeamAlert leren jongeren voor zichzelf opkomen en hun grenzen aan te geven door hen o.a. een stevige houding aan te leren, zelf na te denken over situaties waarin zij te maken hebben met groepsdruk en hoe zij weerbaarheid kunnen toepassen in hun dagelijks leven, en door ‘nee zeggen’ te oefenen in kleinere groepen.

    Zelfcontrole trainen

    De onvoltooide hersenontwikkeling van jongeren zorgt voor grotere onvoorspelbaarheid en impulsiviteit in de adolescentie. Het afwegen van keuzes, reguleren van emoties en focussen op lange termijn doelen komt onder spanning te staan wanneer korte termijn beloningen in het verschiet liggen. Vooral wanneer dit sociale beloning betreft. Het gaat hier om zelfcontrole en het weerstaan van verleidingen, dit blijkt een rol te spelen bij risicogedrag van jongeren op allerlei gebieden: criminaliteit, gezondheid en verkeer (Dusseldorp et al., 2014; Twisk & Stelling, 2014). Zelfcontrole is te trainen en dit blijkt een effectieve manier om middelengebruik van jongeren terug te dringen (Onrust, 2016; Romer, Duckworth, Sznitman & Park, 2010). Deze strategie heeft positieve effecten op zowel jongere als oudere adolescenten en op risicogroepen, zoals sensation seekers (Onrust, 2016; Romer et al., 2010). Ook in het verkeerdomein wordt het trainen van zelfcontrole toegepast om risicogedrag te verminderen. Om middelengebruik in het verkeer te voorkomen voert TeamAlert het project The Day After uit, waarbij jongeren leren over en getraind worden in het vertonen van zelfcontrole op een eigen gekozen doelstelling. Het wordt ook aanbevolen om het trainen van zelfcontrole vast onderdeel te laten zijn van de rijopleiding van beginnend bestuurders, zoals in het ‘Frontal Lobe’ Project in Nieuw Zeeland (Helman et al., 2017). Lees hierover meer in: factsheet beginnende bestuurders.

    De rol van ouders

    De juiste norm
    Ouders kunnen op verschillende manieren invloed uitoefenen op het risicogedrag van hun kind (Schrijvers & Schuit, 2010; Petrie, Bunn, & Byrne, 2007). Allereerst dienen de ouders als voorbeeld voor hun kinderen. Verschillende studies laten zien dat jongeren die vaker risicogedrag bij hun ouders hebben gezien, zelf ook vaker risicogedrag vertonen, zoals roken (Leonaridi-Bee et al., 2011), alcohol drinken (Van der Vorst, 2007), roekeloos rijden (Taubman-Ben-Ari et al., 2014) en rijden onder invloed (Hjalmarsson & Lindquist, 2010). Het is aannemelijk dat zij dit gedrag kopiëren van hun ouders. Het is dus belangrijk dat ouders het goede voorbeeld geven aan hun kinderen. Daarnaast kunnen ouders afspraken maken met hun opgroeiende kind (Schrijvers & Schuit, 2010; Van der Vorst, Engels, Meeus & Deković, 2006). Ze geven hierdoor ook aan welk gedrag zij normaal vinden en wat zij niet normaal vinden. Jongeren geven zelf ook aan het logisch te vinden als hun ouders regels opstellen (Naber, Kempers, & Van Heerebeek, 2008).

    Monitoring
    Verder blijkt dat jongeren waarvan ouders betrokken zijn en weten wat hun kinderen doen in hun vrije tijd en op school minder risicogedrag vertonen. Dit wordt ook wel monitoring genoemd. Verschillende studies tonen aan dat monitoren nog sterker samenhangt met minder risicogedrag dan het stellen van regels (Dusseldorp et al., 2014). Het blijkt dat jongeren die een goede band met hun ouders hebben een kleine kans hebben om op jongere leeftijd risicogedrag te vertonen. Het gaat dan om het bieden van sociale steun. Dit kan door met jongeren praten te over wat zij doen in hun vrije tijd, waar ze hun geld aan uitgeven en met wie ze omgaan. In het geval van een goede band vinden jongeren het makkelijk om met hun ouders te praten over dingen waar ze zich zorgen over maken (Van Dorsselaer, van Zeijl, van den Eeckhout, Ter Bogt, & Vollebergh, 2007).

    Ouders betrekken bij voorlichting
    Verschillende studies tonen aan dat het betrekken van ouders in preventie van risicogedrag bij jongeren een succesfactor is voor effectiviteit van de interventies (Jackson, Chenderson, Frank & Haw, 2012; Jackson, Geddes, Haw, & Frank, 2012; Petrie et al., 2007; Schrijvers & Schuit, 2010). Gelijktijdige voorlichting zorgt enerzijds voor bewustwording van zowel ouders als hun kinderen en kan ervoor zorgen dat ouders het gesprek aangaan met hun kinderen en dat er afspraken gemaakt worden. In verschillende interventies van TeamAlert worden ouders betrokken, zoals binnen de samenwerking met Veilig verkeer Nederland (VVN) in het project V8N1, waar ouders de school-thuisroute met hun kinderen oefenen en bij het begeleid rijden in 2toDrive. Lees hierover meer in: factsheet Jongeren als kwetsbare verkeersdeelnemers en factsheet jongeren als onervaren verkeersdeelnemers: beginnend bestuurders

    Risicoperceptie verhogen en experimenteren in een veilige setting

    Experimenteren is als het ware ‘leren door te doen’. Jongeren kenmerken zich doordat ze vaker experimenteren dan kinderen of volwassenen. Jongeren leren daardoor ook wat de consequenties zijn van bepaald gedrag. Echter is het voor jongeren op het moment van de beslissing lastig een risico-inschatting mee te nemen in de keuze om wel of niet bepaald risicogedrag te vertonen. In de ideale situatie zou je een jongere dus willen laten leren van fout gedrag in een veilige omgeving, waarbij de consequenties van risicogedrag beperkt kunnen worden. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een Virtual Reality (VR) ervaring of een simulator, waarin jongeren de gevolgen van risicogedrag in het verkeer ondervinden. Dit gebeurt bijvoorbeeld in het project Show Yourself van TeamAlert, waar jongeren door een VR-bril ervaren hoe slecht zij zichtbaar zijn wanneer zij zonder fietsverlichting fietsen. Er kan ook gedacht worden aan het opdoen van ervaring onder risicobeperkende omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer jongeren begeleid rijden, zoals in 2toDrive. Het idee is dat jongeren leren van de consequenties van het risicogedrag (de risicoperceptie verhoogt), dat dit hun zelfoverschatting verminderd en dat zij deze ervaring in overweging nemen wanneer ze de volgende keer in dezelfde situatie bevinden. Tevens doen jongeren ervaringen op die hun vaardigheid in het verkeer ten goede komen.

    Trainen van gevaarherkenning

    Het overzien van en reageren op complexe verkeerssituaties, ook wel gevaarherkenning genoemd, is een vaardigheid die bij jongeren nog volop in ontwikkeling is. Desalniettemin worden jongeren naarmate zij ouder worden steeds vaker blootgesteld aan complexe verkeersituaties (Vlakveld, 2011). Het is mogelijk om gevaarherkenning te trainen (Vlakveld, 2008). Aanbevolen wordt om gevaarherkenning sterker in verkeerseducatie naar voren te laten komen. Dit kan bijvoorbeeld door het oefenen van het inschatten van en reageren op complexe verkeerssituaties door middel van video- of fototraining. In de interventies Blikveld (voor beginnende bestuurders) en MISSIE 3014 (voor fietsende middelbare scholieren) krijgen jongeren verschillende video’s te zien, waarbij zij moeten voorspellen hoe deze af zouden kunnen lopen. De filmpjes simuleren een situatie waarin de jongeren zelf actief deelnemen in het verkeer. In ieder filmpje gaat voordat er een incident plaatsvindt het beeld op zwart. Aan de deelnemer wordt vervolgens gevraagd om de mogelijke gevaren in te schatten. De verkeerssituatie bevat steeds twee elementen: in de filmpjes zitten aanwijzingen in de omgeving waar eventueel gevaar uit kan komen en er zijn verkeerdeelnemers waar de deelnemer rekening mee moet houden die niet goed zichtbaar zijn. Na afloop krijgen de jongeren te zien wat voor inschattingen zij hadden moeten maken en wat er daadwerkelijk is gebeurd. Op deze manier trainen de jongeren de vaardigheid gevarenherkenning.

    Doelgroepsegmentatie

    Jongeren kunnen verschillen in hun mate van en houding tegenover risicogedrag (TeamAlert, 2018b). Het is daarom van belang om communicatie en strategieën om gedrag te veranderen zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de doelgroep (Renes et al., 2011). De totale doelgroep jongeren is te verdelen in subgroepen, bijvoorbeeld mannen en vrouwen, 12 tot 18-jarigen en 18 tot 24-jarigen of aan de hand van persoonlijkheidseigenschappen. Interventies en campagnes kunnen voor deze groepen verschillen in informatie die gegeven wordt, gedragsdeterminanten waarop ingezet wordt en de vormgeving van informatie (Renes et al., 2011).

    Het afstemmen van de informatie die gegeven wordt is in preventie van risicogedrag met name belangrijk omdat er geen omgekeerd effect mag ontstaan: een interventie jongeren inspireert tot risicogedrag. Wanneer je het bijvoorbeeld hebt over middelengebruik en de effecten van verschillende middelen omschrijft is het mogelijk dat jongeren nieuwsgierig worden naar de effecten en dit uiteindelijk leidt tot meer gebruik (Spronk, Voorham, & Goossens, 2020). TeamAlert maakt om deze reden onderscheid tussen damage control-projecten en preventieve projecten. Met preventieve interventies richt TeamAlert zich op het voorkomen van risicogedrag onder jongeren. Het gaat hier om het aanleren van meer algemene ‘skills-of-life’ die nodig zijn om veilige en verantwoorde keuzes te maken, die niet uitsluitend nodig zijn in het verkeer. Voorbeelden van gemeenschappelijke determinanten zijn zelfcontrole, ervaren sociale normen, weerbaarheid. Programma’s gericht op het trainen van dit soort vaardigheden zijn zeer geschikt voor de jongere doelgroep en maakt transfer mogelijk. Transfer houdt in dat de kennis of vaardigheden in verschillende gedragsdomeinen kunnen worden toegepast (Peters et al., 2015). Voorbeelden van preventieve interventies zijn The Day After en Muurvast. Bij interventies gericht op damage control richt TeamAlert zich op het veranderen van risicogedrag onder de groep jongeren die zich al risicovol gedragen. Door aanwezig te zijn op locaties waar het risicogedrag zich kan voordoen, zet TeamAlert zich tot het allerlaatste moment in om risicogedrag te voorkomen. Interventies gericht op damage control hebben impact waar dit het meest nodig is. Door het inzetten van damage control interventies verhoog je ten eerste de kans de juiste doelgroep aan te spreken. Denk bijvoorbeeld aan het inzetten van een interventie gericht op het voorkomen van rijden onder invloed op een festival. Op het festival zijn jongeren, die (vaak) middelen gebruiken en mogelijk met de auto terug naar huis gaan. Voorbeelden van damage control interventies zijn Witte Waas en Bobtival.

    In het afstemmen van de vormgeving van informatie kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de volgende keuzes: meer tekstueel of visueel, meer gericht op redenatie of emotie, positieve of negatieve formulering, het gebruik van een influencer of niet. Het is van belang om jongeren in het gehele proces te betrekken. Allereerst om te ontdekken wat er speelt, waarom het speelt en bij wie het speelt. Om op deze manier de juiste doelgroep en de juiste boodschap vast te stellen. Ten tweede om de vormgeving van informatie aan te laten sluiten bij de belevingswereld van de doelgroep, zodat de doelgroep ontvankelijk is voor de informatie. In de volgende alinea’s wordt toegelicht hoe jongeren betrokken kunnen worden in dit proces.

    Jongeren betrekken

    Vraag wat er speelt en waarom het speelt
    Om risicogedrag van jongeren in het verkeer te beperken is het van belang te weten welk risicogedrag plaatsvindt onder jongeren en waarom jongeren bepaald risicogedrag vertonen. Verschillende bronnen geven informatie over het risico en/of het gedrag van jongeren in het verkeer. Ongevallencijfers geven inzicht in het aantal slachtoffers per leeftijdscategorie en vervoerwijzen. Echter is het niet altijd goed te achterhalen of risicogedrag een rol speelde bij het ongeval. Politiecijfers geven inzicht in het aantal overtredingen per leeftijdscategorie en vervoerswijze. Echter is dit mede een afspiegeling van de manier waarop handhaving ingezet wordt. Onderzoek is nodig om te achterhalen hoe vaak risicogedrag onder jongeren voorkomt, dit kan bijvoorbeeld door observatieonderzoek of vragenlijstonderzoek. In de verschillende factsheets wordt een antwoord gegeven op de vragen: Hoe vaak rijden jongeren onder invloed van drugs? Hoe vaak rijden jongeren onder invloed van alcohol? Hoe vaak rijden jongeren te hard?

    TeamAlert doet onderzoek naar het risicogedrag van jongeren in het verkeer. Kwantitatief onderzoek wordt gedaan om te achterhalen hoeveel jongeren bepaald risicogedrag vertonen en om de mening van grote groepen jongeren te achterhalen. TeamAlert beschikt over haar eigen panel met daarin meer dan 3500 jongeren in de leeftijd van 12 tot en met 24 jaar. Via het jongerenpanel staat TeamAlert online continu in verbinding met jongeren. Jaarlijks worden er meer dan dertig enquêtes uitgezet onder het panel. Op deze manier monitort TeamAlert voortdurend welke thema’s spelen onder de doelgroep jongeren.

    Kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld interviews of focusgroepen, worden gedaan om motivaties van jongeren te achterhalen met als doel hen beter te begrijpen omtrent een specifiek thema of specifiek gedrag. Middels dit onderzoek wordt achterhaald waarom jongeren bepaald gedrag vertonen en in welke context. Focusgroepen en interviews zijn geschikte methoden om informatie te verzamelen over vraagstukken waarover nog niet veel bekend is. Tijdens een interview of focusgroep kunnen namelijk verdiepende inzichten worden verkregen omdat de onderzoeker kan doorvragen of via onderlinge interactie tussen de groepsleden van het groepsgesprek. De methoden zijn flexibel: als er onverwachte gegevens naar voren komen in het gesprek, kan er worden afgeweken van de vraagroute om deze informatie verder uit te diepen. (Assema, Mesters, & Kok, 1992).

    Cocreatie
    Het ontwikkelen van een campagne of interventie gebeurt idealiter op basis van de behoeften van de doelgroep. Een methode om deze behoeften te achterhalen is cocreatie. In het ontwikkelproces van een interventie voor een doelgroep krijgt deze doelgroep een actieve rol. Zij worden gevraagd om mee te denken in verschillende stadia van de ontwikkeling, bijvoorbeeld het verkennen van de behoeften en aandachtspunten van de doelgroep, het ontwerp van een interventie of het testen van een interventie (Van Kersteren et al., 2015).

    Een voorbeelden van een cocreatieprocessen binnen TeamAlert is het werken aan een slimme oplossing van Interpolis om jongeren te helpen mobielvrij te fietsen. Hieruit resulteerde de PhoNo-app, waarmee jongeren door mobielvrij te fietsen sparen voor het goede doel. In een cocreatiesessie creëert TeamAlert samen met jongeren uit haar jongerennetwerk een concept, product of campagne. Zo denken jongeren bijvoorbeeld mee over de ervaring binnen en de uitstraling van interventies, maar ook over slogans, logo’s of het imago van een bedrijf of organisatie. Een cocreatiesessie geeft inzicht in de behoeften en wensen van jongeren. Jongeren denken mee, geven feedback en geven advies over een gevraagde oplossing.

    Aansluiten bij de belevingswereld van jongeren
    Door continu in gesprek te blijven met jongeren is het mogelijk aan te sluiten op de belevingswereld van jongeren. Het is daarom aan te raden te niet alleen te onderzoek wat er speelt bij jongeren en waarom, maar ook de manier waarop jongeren het probleem graag opgelost zien. Het betrekken van jongeren in het ontwikkelproces is essentieel om interventies aan te laten sluiten bij de doelgroep. Op deze manier wordt niet alleen de juiste boodschap gedeeld, ook de vormgeving van de boodschap sluit aan bij de doelgroep voor wie de boodschap bedoeld is.

    Integrale aanpak

    Verschillende studies tonen aan dat risicogedrag op allerlei verschillende terreinen met elkaar samenhangt. Risicogedrag in het verkeer heeft verband met risicogedrag op het gebied van gezondheid en delinquent gedrag. Ook zijn er een aantal gemeenschappelijke factoren aan te wijzen die een rol spelen bij het risicogedrag van jongeren, zoals de invloed van de sociale omgeving en de mate van zelfcontrole (Twisk & Stelling, 2014). Interventies die inzetten op deze gemeenschappelijke factoren hebben dus aannemelijk een positief effect op meerdere domeinen. Daarnaast is het mogelijk om in de verschillende domeinen ook aandacht te besteden aan risicogedrag dat elkaar raakt. Het is aanbevolen dat verschillende organisaties op het gebied van volksgezondheid, verkeer en justitie elkaar opzoeken en gezamenlijk onderzoeken opzetten of interventies uitvoeren. Op deze manier wordt risicogedrag van jongeren er op een integrale wijze aangepakt (Twisk & Stelling, 2014).

     

  • Gebruikte bronnen

    • Assema, P., Mesters, I., & Kok, G. (1992). Het focusgroep-interview: een stappenplan. The focus group interview: stepwise guidelines.) TSG (Dutch Journal of Health Sciences), 7, 431-7.
    • Benotsch, E. G., Martin, A. M., Koester, S., Mason, M. J., Jeffers, A. J., & Snipes, D. J. (2015). Driving under the influence of prescription drugs used nonmedically: Associations in a young adult sample. Substance abuse36(1), 99-105.
    • Bokhorst, C.L., Sumter, S.R. & Westenberg, P.M. (2010). Social support from parents, friends, classmates, and teachers in children and adolescents aged 9 to 18 years: Who is perceived as most supportive? In: Social Development, vol. 19, p. 417-426.
    • Brug, J., Assema, P., & Lechner, L.. (2017). Gezondheidsvoorlichting en gedragsverandering. Een planmatige aanpak.
    • CBS (2015). Tieners fietsen twee keer zo veel als gemiddelde Nederlander. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2015/27/tieners-fietsen-twee-keer-zo-veel-als-gemiddelde-nederlander
    • CBS (2018a). Meer vertrouwen in elkaar en instituties. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/22/meer-vertrouwen-in-elkaar-en-instituties
    • CBS. (2018b). Snelheidsboetes: De bekeurden in beeld. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2018/50/snelheidsboetes-de-bekeurden-in-beeld
    • CBS (2020a). Bevolking; geslacht, leeftijd en burgerlijke staat. Geraadpleegd via: https://opendata.cbs.nl/statline/?dl=1EFBB#/CBS/nl/dataset/7461bev/table
    • CBS. (2020b). Vertrouwen in mensen en in organisaties; persoonskenmerken. Geraadpleegd via: https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82378NED/table?dl=C39F
    • CBS (2020c). Maatwerktabellen TeamAlert.
    • Cialdini, R. B., Reno, R. R., & Kallgren, C. A. (1990). A Focus Theory of Normative Conduct: Recycling the Concept of Norms to Reduce Littering in Public Places. Journal of Personality and Social Psychology, 58(6), 1015-1026
    • Charles, N. E., Ryan, S. R., Bray, B. C., Mathias, C. W., Acheson, A., & Dougherty, D. M. (2016). Altered developmental trajectories for impulsivity and sensation seeking among adolescent substance users. Addictive Behaviors60, 235-241.
    • Cohen, C. J., Fowler, M., Medenica, V. E., & Rogowski, J. C. (2017). The ‘Woke’Generation? Millennial Attitudes on Race in the US. GenForward Survey.
    • Crone, E. A., & Dahl, R. E. (2012). Understanding adolescence as a period of social–affective engagement and goal flexibility. Nature Reviews Neuroscience13(9), 636-650.
    • Crone, E. (2018). Het puberende brein: Over de ontwikkeling van de hersenen in de unieke periode van de adolescentie. Prometheus.
    • Deprez, J., Boermans, S., Euwema, M., & Stouten, J. (2015). ‘Generatieverschillen’op het werk. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken31, 1.
    • Dusseldorp, E., Klein Velderman, M., Paulussen, T. W., Junger, M., van Nieuwenhuijzen, M., & Reijneveld, S. A. (2014). Targets for primary prevention: Cultural, social and intrapersonal factors associated with co-occurring health-related behaviours. Psychology & health29(5), 598-611.
    • ERSO. (2018). Fatigue 2018. Geraadpleegd via: https://ec.europa.eu/transport/road_safety/sites/roadsafety/files/pdf/ersosynthesis2018-fatigue.pdf
    • Guo, F., Klauer, S. G., Fang, Y., Hankey, J. M., Antin, J. F., Perez, M. A., Lee, S. E., & Dingus, T. A. (2017). The effects of age on crash risk associated with driver distraction. International Journal of Epidemiology, dyw234. https://doi.org/10.1093/ije/dyw234
    • Halafoff, A., Singleton, A., Bouma, G., & Rasmussen, M. L. (2020). Religious literacy of Australia’s Gen Z teens: diversity and social inclusion. Journal of Beliefs & Values41(2), 195-213.
    • Helman, S., Vlakveld, W., Fildes, B., Oxley, J., Fernández-Medina, K., Weekley, J. (2017). Study on driver training, testing and medical fitness. Geraadpleegd via: https://ec.europa.eu/transport/road_safety/sites/roadsafety/files/dl_study_on_training_testing_med_fitness.pdf
    • Hjalmarsson, R., & Lindquist, M. J. (2010). Driving under the influence of our fathers. The BE Journal of Economic Analysis & Policy10(1).
    • Houwing, S., Hagenzieker, M., Mathijssen, R., Bernhoft, I. M., Hels, T., Janstrup, K., ... & Verstraete, A. (2011). Prevalence of alcohol and other psychoactive substances in drivers in general traffic, part II: country reports.
    • Jackson, C. A., Henderson, M., Frank, J. W., & Haw, S. J. (2012). An overview of prevention of multiple risk behaviour in adolescence and young adulthood. Journal of public health, 34(suppl_1), i31-i40.
    • Jackson, C., Geddes, R., Haw, S., & Frank, J. (2012). Interventions to prevent substance use and risky sexual behaviour in young people: a systematic review. Addiction107(4), 733-747.
    • Kallgren, C. A., Reno, R. R., & Cialdini, R. B. (2000). A Focus Theory of Normative Conduct: When Norms Do and Do Not Affect Behavior. Personality and Social Psychology Bulletin, 26, 1002- 1012
    • Kennisnet (2015). Monitor jeugd en media 2015.
    • Leeman, R. F., Hoff, R. A., Krishnan-Sarin, S., Patock-Peckham, J. A., & Potenza, M. N. (2014). Impulsivity, sensation-seeking, and part-time job status in relation to substance use and gambling in adolescents. Journal of Adolescent Health54(4), 460-466.
    • Leonardi-Bee J, Jere ML & Britton J (2011). Exposure to parental and sibling smoke and the risk of smoking uptake in childhood and adolescence: a systematic review and meta-analysis. Thorax, 66, 847-855.
    • Lydon‐Staley, D. M., & Geier, C. F. (2018). Age‐varying associations between cigarette smoking, sensation seeking, and impulse control through adolescence and young adulthood. Journal of research on adolescence28(2), 354-367.
    • Mathijssen, R., & Houwing, S. (2005). The prevalence and relative risk of drink and drug driving in the Netherlands: a case-control study in the Tilburg police district. Leidschendam: SWOV.
    • Meesmann, U., Martensen, H., & Dupont, E. (2013). Invloed van sociale norm en pakkans op rijden onder invloed van alcohol: België vergeleken met 18 Europese landen. Brussel, België: Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid–Kenniscentrum Verkeersveiligheid.
    • Mohr, K. A., & Mohr, E. S. (2017). Understanding Generation Z students to promote a contemporary learning environment. Journal on Empowering Teaching Excellence1(1), 9.
    • Naber, P., Kempers, E., & van Heerebeek, M. (2008). Wat vinden jongeren van de opvoeding door hun ouders?: Een onderzoek naar opvoeding in gezinnen in Amsterdam vanuit het perspectief van jongeren.
    • O'brien, K., Selboe, E., & Hayward, B. M. (2018). Exploring youth activism on climate change. Ecology and Society23(3).
    • Onrust, S. A. (2016). Schoolprogramma’s om middelengebruik tegen te gaan in verschillende leeftijdsfasen. Verslaving12(3), 188-202. Geraadpleegd via: https://www.trimbos.nl/docs/a5997bd3-83cb-4d30-98ae-f197f9e9f567.pdf
    • Peters, L. W., ten Dam, G. T., Kocken, P. L., Buijs, G. J., Dusseldorp, E., & Paulussen, T. G. (2015). Effects of transfer-oriented curriculum on multiple behaviors in the Netherlands. Health promotion international, 30(2), 291-309.
    • Peters, S. (2019). Het brein in de groei. Risicogedrag en beloningen. P. 26 – 28
    • Petrie, J., Bunn, F., & Byrne, G. (2007). Parenting programmes for preventing tobacco, alcohol or drugs misuse in children< 18: a systematic review. Health education research, 22(2), 177-191.
    • Renes, R. J., Van den Putte, B., Van Breukelen, R., Loef, J., Otte, M., & Wennekers, C. (2011). Gedragsverandering via campagnes. Literatuuronderzoek in opdracht van Dienst Publiek en Communicatie. Ministerie van Algemene Zaken.
    • Richer, I., & Bergeron, J. (2009). Driving under the influence of cannabis: Links with dangerous driving, psychological predictors, and accident involvement. Accident Analysis & Prevention41(2), 299-307.
    • Rijkswaterstaat (2018). Lichtvoering fietsers 2017/2018. Geraadpleegd via: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/07/12/bijlage-4-lichtvoering-fietsers-2017-2018/bijlage-4-lichtvoering-fietsers-2017-2018.pdf
    • Rijkswaterstaat (2019). Vervolgmeting apparatuurgebruik fietsers. Geraadpleegd via: http://publicaties.minienm.nl/documenten/vervolgmeting-apparatuurgebruik-fietsers
    • Romer, D., Duckworth, A. L., Sznitman, S., & Park, S. (2010). Can adolescents learn self-control? Delay of gratification in the development of control over risk taking. Prevention science11(3), 319-330.
    • Rubin, K., Fredstrom, B., Bowker, J. (2008). Future directions in friendship in childhood and early adolescence. Social Development, 17(4), 1085-1096.
    • Rubin Postaer and Associates (2018). A Gen Z exploration. Geraadpleegd via: https://identityshifters.rpa.com/report-download/Identity-Shifters_An-RPA-Report.pdf
    • Schrijvers, C. T. M., & Schuit, A. J. (2010). Middelengebruik en seksueel gedrag van jongeren met een laag opleidingsniveau. Aangrijpingspunten voor preventie.
    • Spronk, D. B., Voorham, L., & Goossens, F. X. (2020). Ongewenste effecten van voorlichting over recreatief drugsgebruik. TSG-Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen, 98(1), 55-58.
    • Steinberg, L., Albert, D., Cauffman, E., Banich, M., Graham, S., & Woolard, J. (2008). Age differences in sensation seeking and impulsivity as indexed by behavior and self-report: evidence for a dual systems model. Developmental psychology44(6), 1764.
    • Steinberg, L., Icenogle, G., Shulman, E. P., Breiner, K., Chein, J., Bacchini, D., ... & Fanti, K. A. (2018). Around the world, adolescence is a time of heightened sensation seeking and immature self‐regulation. Developmental science21(2), e12532.
    • Taubman - Ben-Ari, O., Musicant, O., Lotan, T. & Farah, H. (2014). The contribution of parents’ driving behavior, family climate for road safety, and parent-targeted intervention to young male driving behavior. In: Accident Analysis & Prevention, vol. 72, nr. 0, p. 296-301.
    • TeamAlert (2018a). Doelgroepanalyse: snelheid bij beginnende bestuurders. Geraadpleegd via: https://teamalert.nl/media/25820/doelgroepanalyse-snelheid-2018.pdf
    • TeamAlert (2018b). Doelgroepsegmentatie onderzoek.
    • TeamAlert (2019). Doelgroepanalyse: alcoholgebruik in het verkeer door jonge mannelijke bestuurders. Geraadpleegd via: https://teamalert.nl/media/25870/doelgroepanalyse-alcoholgebruik-in-het-verkeer-door-jonge-mannelijke-bestuurders.pdf
    • TeamAlert (2020). Mediagebruik onder jongeren.
    • Twisk, D. A. M., & Stelling, A. (2014). Risicogedrag van jongeren vraagt integrale aanpak.
    • Van der Kint, S.T. & Mons, C. (2019). Interpolis Barometer 2019. Den Haag: Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid SWOV.
    • Van Ditzhuijzen, J., Mol, M., & Plaisier, J. (2011). Trainershandleiding. Fysiek-Mentale Weerbaarheidstraining voor jongeren.
    • Van Dorsselaer, S., van Zeijl, S., van den Eeckhout, S., ter Bogt, T. F. M., & Vollebergh, W. A. M. (2007). Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland.
    • Van Kesteren, N. M. C., Kranenborg, K., Keer, M., Dijk, S. V., Hof, M., & Empelen, P. V. (2015). Co-creatie als hulpmiddel in de ontwikkeling van de SoaSeksCheck. SekSoa Magazine.
    • Van der Meel, E. M. (2013). Red light running by Cyclists: Which factors influence the red light running by cyclists? (Masterscriptie). Geraadpleegd via: https://repository.tudelft.nl/islandora/object/uuid%3A1242ee85-a041-44c5-b291-2b0dddc82ed0
    • Van der Veen, J. D., Hershberger, A. R., & Cyders, M. A. (2016). UPPS-P model impulsivity and marijuana use behaviors in adolescents: A meta-analysis. Drug and alcohol dependence168, 181-190.
    • Van der Vorst, H., Engels, R. C., Meeus, W., & Deković, M. (2006). Parental attachment, parental control, and early development of alcohol use: A longitudinal study. Psychology of addictive behaviors20(2), 107.
    • Van der Vorst, H. (2007). The key to the cellar door. The Role of the Family in Adolescents’ Alcohol Use.
    • Van Leijenhorst, L., & Crone, E. (2009). Het adolescentenbrein: inzichten in risicovol gedrag in de adolescentie uit de cognitieve neurowetenschappen. Neuropraxis13(1), 3-7.
    • Vlakveld, W., P. (2008). Toetsen en trainen van gevaarherkenning. Geraadpleegd via: https://www.swov.nl/sites/default/files/publicaties/rapport/d-2008-02.pdf
    • Vlakveld, W.,P. (2011). Hazard anticipation of young novice drivers. Assessing and enhancing the capabilities of young novice drivers to anticipate latent hazards in road and traffic situations. Proefschrift. Leidschendam: Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid.
    • Vlakveld, W. P. (2014). Hersenontwikkeling en ongevalsrisico van jonge bestuurders: een literatuurstudie. Geraadpleegd via: https://www.swov.nl/sites/default/files/publicaties/rapport/r-2014-26.pdf
    • Waterloo, S.F., Wennekers, A.M., en Wiegman P.R. (2019). Media:Tijd 2018. Amsterdam/Den Haag: NOM, NLO, SKO, PMA en SCP. Geraadpleegd via: https://www.mediatijd.nl/images/pdf/Brochure_MediaTijd_2018.pdf
    • Weigard, A., Chein, J., Albert, D., Smith, A., & Steinberg, L. (2014). Effects of anonymous peer observation on adolescents' preference for immediate rewards. Developmental science17(1), 71-78.
    • Wiefferink, C. H., Peters, L., Hoekstra, F., Ten Dam, G., Buijs, G. J., & Paulussen, T. G. (2006). Clustering of health-related behaviors and their determinants: possible consequences for school health interventions. Prevention Science7(2), 127.
    • Woicik, P. A., Stewart, S. H., Pihl, R. O., & Conrod, P. J. (2009). The substance use risk profile scale: A scale measuring traits linked to reinforcement-specific substance use profiles. Addictive behaviors34(12), 1042-1055.
    • Zuckerman, M. (1993). Sensation seeking and impulsivity: a marriage of traits made in biology?.

Download hier de complete infosheet

Meer info? Neem contact op:

Esther Timmermans Gedragsonderzoeker en -ontwerper
Guerchôm van Iperen Manager Advies en Accountmanagement
Delen gaat nooit vervelen: